Budha, mijn vriend

 


Op een donkere avond in den Haag, liep ik over straat met een onbehagelijk gevoel. Een diepe angst beroerde mijn gelederen. Een sidderende angst die elk moment zou gaan uitbreken. Ik roerde rond in mijn hersenpan als een bezetenen en zocht veilige manieren om mijn eigen demonen te ontwijken en niet anderen nog eens te woord te moeten staan. Ze praten hier ook nederlands, gewoon nederlands, maar ze verstaan mij voor geen klote. Bovenal koesterde ik geen enkele ambitie om te praten met mensen, ik wilde gewoon van die benepen kamer af. De luiken likkebaarden, de badkamer is een gigantisch luisterend oor dat je het kleinste geheim weet te ontfutselen, de krakende trappen zingen kreunend over verre verledens geserveerd in verboden koloniale sauzen. Toen ik voor de derde keer de straat van mijn hotel door stoof, viel me plots een etalage op waar ik al een twintigtal keren moest zijn gepasseerd zonder het op te merken. Mijn uitgedroogde ogen proberen af te stemmen met mijn verhout brein, maar dat neemt zijn tijd. Het eerste wat ik zie is een ontmantelde kart. Geen banden, noch een stuur, maar wel een motor en de aandrijvende pedalen. Ironischer kon mijn grinnik niet klinken en toch voelde ik mij een varken. Een beest losgeslagen met een op holgedraaide motor, stuurloos gedreven door een angst dat schuimt in zijn bek. Als ik mijn weg wil vervolgen, valt mijn oog op een stenen hoofd van een budha dat op een meter afstand op een sokkel geplaatst werd in diezelfde etalage. Het lachen was me zelden zo groen vergaan. De bloemen en bloesems vergingen echter zo snel, dat ik mijn pas versnelde en vluchtte naar mijn appartement. Daar vond ik dekking in mijn geschriften en mijn oordoppen. Tot zo ver mijn verblijf alhier. Feestelijk bedankt. En lekker hoor, zo'n verblijf in Den Haag.


Anton Nymand


Reacties