Alleen

 Onderweg naar huis bedacht hij zich dat hij niet meer naar huis ging. Hij stopte met trappen. Haren zuchten neer over zijn voorhoofd, het plakt meteen in het zweet. Het is tijd voor een lesje - nee een levensles- ze moest nu toch maar eens weten hoeveel hij van haar hield, ja dat mocht onderhand wel en er valt niets op aan te merken hoor, hij had het haar voortdurend gezegd. Zijn fiets komt kreunend tot stilstand en behoedzaam zet hij zijn voet op de grond. Langs de kant van de weg, keken de stenen hem bedenkelijk terug aan.

Geketend in het kijken had hij al een afscheidsbrief geschreven. Nu moest hij op zoek naar een balpen en - natuurlijk, waar zat hij nu met zijn gedachten - hoe krijgt hij die brief dan nog mooi op de keukentafel? Het zweet op zijn voorhoofd was niet langer het zweet van inspanning, nu ja hij had zich weldegelijk ingespannen als een opgejaagde kat in het nauw. De keukentafel, daar had hij bij vertrek nog over getwijfeld om deze mee te nemen, maar uiteindelijk toch besloten toch terug te komen voor alles wat hem dierbaar was. Daar hoorde uiteraard de keukentafel bij. Met pijn in het hart moest hij zo licht mogelijk gepakt vertrekken. Zo besloot hij moedig ook al wist hij dat dat zeker niet het gevolg was van een bewuste keuze. Had hij het wel duidelijk gezegd of had hij zich wenend uit bed verwijderd om zich te verstoppen in de zetel opdat zij hem zou komen halen? Te komen halen om het bed te delen. Nee, zo alleen kon hij niet zijn.

Hij kon het niet. Alleen zijn is de kwelling die het bestaan uitmaakt. Dat is te veel, te groots, te oneindig. Het oneindig verlangen van een kraan die openstaat. Zo alleen als de oceanen diep en uitgestrekt. Een woestijn om in te verdrinken. Een menigte om in te vereenzamen. Zo alleen als de laatste van het rusthuis. Zo alleen kan niemand zijn. Nog twee stappen, met de fiets in de hand, en hij bereikt zijn eigen voordeur. Tot zover, alleen.

Reacties